Griekse Literatuurgeschiedenis

Ιστορία της Ελληνικής Λογοτεχνίας

Overzicht van auteurs, genres en werken uit de Griekse literatuur

Perioden van de Griekse Literatuur

ca. 800-500 v.Chr.
Archaische Periode
Homerus schept de Ilias en Odyssee. Hesiodus schrijft Theogonie en Werken en Dagen. Ontstaan van lyrische poezie (Sappho, Pindarus).
ca. 750 v.Chr.
Homerus - Ilias & Odyssee
De eerste grote werken van de westerse literatuur. Epen over de Trojaanse oorlog en de thuisreis van Odysseus.
ca. 700 v.Chr.
Hesiodus - Theogonie
Systematisch overzicht van de Griekse goden en het ontstaan van de wereld.
ca. 600 v.Chr.
Lyrische Poezie
Sappho op Lesbos, Pindarus' overwinningsoden, Archilochos' jamben.
ca. 500-323 v.Chr.
Klassieke Periode
Bloeitijd van Athene. Tragedie (Aeschylus, Sophocles, Euripides), komedie (Aristophanes), geschiedschrijving (Herodotus, Thucydides), filosofie (Plato, Aristoteles).
472 v.Chr.
Aeschylus - De Perzen
Oudste overgeleverde tragedie. Beschrijft de Perzische nederlaag bij Salamis.
ca. 442 v.Chr.
Sophocles - Antigone
Conflict tussen goddelijke en menselijke wet. Antigone begrraft haar broer tegen het verbod van koning Creon.
431 v.Chr.
Euripides - Medea
Psychologische tragedie over wraak en verraad. Medea vermoordt haar eigen kinderen.
ca. 425 v.Chr.
Herodotus - Historien
"Vader van de geschiedschrijving." Beschrijft de Perzische oorlogen en verre volkeren.
ca. 400 v.Chr.
Thucydides - Peloponnesische Oorlog
Kritische geschiedschrijving. Analyse van macht en politiek.
ca. 380 v.Chr.
Plato - Dialogen
Filosofische dialogen met Socrates. De Staat, Symposium, Phaedo.
323-30 v.Chr.
Hellenistische Periode
Na Alexander de Grote. Geleerde poezie in Alexandrie (Callimachus, Apollonius). Nieuwe komedie (Menander). Filosofische scholen.

Literaire Genres

Epos

τὸ ἔπος

Verhalende poezie in hexameters. Heldendichten over goden en helden. Homerus (Ilias, Odyssee), Hesiodus.

Tragedie

ἡ τραγῳδία

Toneelstuk met ernstige thematiek, eindigend in ondergang. Opgevoerd bij Dionysos-festivals. Aeschylus, Sophocles, Euripides.

Komedie

ἡ κωμῳδία

Humoristisch toneel. Oude komedie (politieke satire, Aristophanes) en nieuwe komedie (huiselijke intriges, Menander).

Lyriek

ἡ λυρική

Persoonlijke poezie, begeleid door lier. Monodie (solo) en koorlyriek. Sappho, Pindarus, Archilochos.

Geschiedschrijving

ἡ ἱστορία

Onderzoek en verslag van het verleden. Herodotus (narratief), Thucydides (analytisch), Xenophon.

Filosofie

ἡ φιλοσοφία

Wijsbegeerte in dialoog of traktaat. Plato (dialogen), Aristoteles (verhandelingen), Epicurus, Stoa.

Retorica

ἡ ῥητορική

Welsprekendheid. Gerechtelijke, politieke en gelegenheidstoespraken. Demosthenes, Lysias, Isocrates.

Roman

ὁ μῦθος

Proza-fictie uit de Hellenistische en Romeinse tijd. Liefdes- en avonturenverhalen. Longus (Daphnis en Chloe).

Kenmerken van de Tragedie

De Attische tragedie had vaste kenmerken:

  • Structuur: Proloog - Parodos (intrede koor) - Episodia (scenes) - Stasima (koorliederen) - Exodos (uittocht)
  • Eenheid: Aristoteles' drie eenheden: tijd (1 dag), plaats, handeling
  • Koor: Groep van 12-15 personen die zingt, danst en commentaar geeft
  • Maskers: Acteurs droegen maskers; maximaal 3 acteurs speelden alle rollen
  • Hamartia: Tragische fout van de held die tot ondergang leidt
  • Catharsis: Zuivering van emoties (medelijden en vrees) bij het publiek
"De tragedie is de nabootsing van een ernstige en volledige handeling... die door middel van medelijden en vrees de zuivering van dergelijke emoties teweegbrengt."
- Aristoteles, Poetica