Grammaire en Contexte

Oefen Franse grammatica in realistische contexten. Kies een onderwerp en maak de oefeningen.

Les conjugaisons - Werkwoordsvervoegingen
Op HAVO-niveau moet je de belangrijkste tijden beheersen: le présent, le passé composé, l'imparfait en le futur simple. Let op onregelmatige werkwoorden zoals aller, faire, être, avoir.
Hier, nous sommes allés au marché et nous avons acheté des fruits. Gisteren zijn we naar de markt gegaan en hebben we fruit gekocht.
Quand j'étais petit, je jouais toujours dans le jardin. Toen ik klein was, speelde ik altijd in de tuin.

Oefeningen

Oefening 1 Passé composé

Situatie: Een e-mail over het weekend.

Le weekend dernier, Marie ______ (partir) en vacances avec sa famille.

Oefening 2 Imparfait

Situatie: Een herinnering aan vroeger.

Quand nous ______ (habiter) à Lyon, nous ______ (aller) souvent au cinéma.

Oefening 3 Futur simple

Situatie: Plannen voor de vakantie.

L'année prochaine, nous ______ (voyager) en Espagne et nous ______ (visiter) Barcelone.

Oefening 4 Gemengd

Situatie: Een dagboekfragment.

Kies de juiste vorm:

Ce matin, je ______ très fatigué(e).

Les adjectifs - Bijvoeglijk naamwoorden
Franse bijvoeglijk naamwoorden verbuigen naar geslacht en getal. Meestal: mannelijk enkelvoud als basisvorm, +e voor vrouwelijk, +s voor meervoud, +es voor vrouwelijk meervoud. Let op uitzonderingen: beau/belle, vieux/vieille, nouveau/nouvelle.
C'est une belle maison avec un grand jardin. Het is een mooi huis met een grote tuin.
Les petites filles portent des robes blanches. De kleine meisjes dragen witte jurken.

Oefeningen

Oefening 1 Verbuiging

Situatie: Een beschrijving van een vriendin.

Ma meilleure amie est très ______ (sportif) et ______ (créatif).

Oefening 2 Plaats

Situatie: Het bijvoeglijk naamwoord op de juiste plaats zetten.

Kies de juiste woordvolgorde:

Oefening 3 Onregelmatig

Situatie: Een verhaal over een bezoek.

Nous avons visité un ______ (vieux) château avec de ______ (beau) jardins.

Oefening 4 Verbuiging meervoud

Situatie: Beschrijving van een markt.

Au marché, il y a des fruits ______ (frais) et des fleurs ______ (coloré).

Les prépositions - Voorzetsels
Voorzetsels geven relaties aan tussen woorden. Belangrijk: à (naar/in/aan), de (van/uit), en (in), dans (in), pour (voor), avec (met), chez (bij). Let op samentrekkingen: à + le = au, à + les = aux, de + le = du, de + les = des.
Je vais au cinéma avec mes amis pour voir un film. Ik ga naar de bioscoop met mijn vrienden om een film te zien.
Elle habite à Paris, près du musée d'Orsay. Zij woont in Parijs, vlak bij het Musée d'Orsay.

Oefeningen

Oefening 1 Samentrekking

Situatie: Vertellen waar je naartoe gaat.

Nous allons ______ (à + le) stade pour voir le match.

Oefening 2 Keuze voorzetsel

Situatie: Over landen en steden praten.

Mon frère habite ______ France, mais il travaille ______ Bruxelles.

Oefening 3 Gemengd

Situatie: Een recept beschrijven.

Kies het juiste voorzetsel: Il faut couper les légumes ______ un couteau.

Oefening 4 Samentrekking

Situatie: Een bezoek aan school.

Le professeur parle ______ (de + les) élèves et ______ (de + le) programme.

Les subordonnées - Bijzinnen
Bijzinnen worden ingeleid door voegwoorden: que (dat), quand (wanneer), parce que (omdat), si (als), qui (die/dat - onderwerp), que (die/dat - lijdend voorwerp), (waar). Let op: na si (als) gebruik je nooit futur.
Je pense que cette idée est intéressante parce qu'elle offre une nouvelle perspective. Ik denk dat dit idee interessant is omdat het een nieuw perspectief biedt.
Si tu viens demain, nous irons au parc. Als je morgen komt, gaan we naar het park.

Oefeningen

Oefening 1 Voegwoord

Situatie: Een mening geven.

Kies het juiste voegwoord: Je crois ______ il a raison.

Oefening 2 Si-zinnen

Situatie: Plannen maken.

Si nous ______ (avoir) le temps, nous visiterons le musée.

Oefening 3 Betrekkelijk voornaamwoord

Situatie: Iemand beschrijven.

C'est le professeur ______ nous a appris le français et ______ tout le monde admire.

Oefening 4 Gemengd

Situatie: Uitleggen waarom.

Kies het juiste voegwoord: Il ne peut pas venir ______ il est malade.

Terug naar overzicht