Grammaire en Contexte
Oefen Franse grammatica in realistische contexten. Kies een onderwerp en maak de oefeningen.
Op HAVO-niveau moet je de belangrijkste tijden beheersen: le présent, le passé composé, l'imparfait en le futur simple. Let op onregelmatige werkwoorden zoals aller, faire, être, avoir.
Oefeningen
Situatie: Een e-mail over het weekend.
Le weekend dernier, Marie ______ (partir) en vacances avec sa famille.
Situatie: Een herinnering aan vroeger.
Quand nous ______ (habiter) à Lyon, nous ______ (aller) souvent au cinéma.
Situatie: Plannen voor de vakantie.
L'année prochaine, nous ______ (voyager) en Espagne et nous ______ (visiter) Barcelone.
Situatie: Een dagboekfragment.
Kies de juiste vorm:
Ce matin, je ______ très fatigué(e).
Franse bijvoeglijk naamwoorden verbuigen naar geslacht en getal. Meestal: mannelijk enkelvoud als basisvorm, +e voor vrouwelijk, +s voor meervoud, +es voor vrouwelijk meervoud. Let op uitzonderingen: beau/belle, vieux/vieille, nouveau/nouvelle.
Oefeningen
Situatie: Een beschrijving van een vriendin.
Ma meilleure amie est très ______ (sportif) et ______ (créatif).
Situatie: Het bijvoeglijk naamwoord op de juiste plaats zetten.
Kies de juiste woordvolgorde:
Situatie: Een verhaal over een bezoek.
Nous avons visité un ______ (vieux) château avec de ______ (beau) jardins.
Situatie: Beschrijving van een markt.
Au marché, il y a des fruits ______ (frais) et des fleurs ______ (coloré).
Voorzetsels geven relaties aan tussen woorden. Belangrijk: à (naar/in/aan), de (van/uit), en (in), dans (in), pour (voor), avec (met), chez (bij). Let op samentrekkingen: à + le = au, à + les = aux, de + le = du, de + les = des.
Oefeningen
Situatie: Vertellen waar je naartoe gaat.
Nous allons ______ (à + le) stade pour voir le match.
Situatie: Over landen en steden praten.
Mon frère habite ______ France, mais il travaille ______ Bruxelles.
Situatie: Een recept beschrijven.
Kies het juiste voorzetsel: Il faut couper les légumes ______ un couteau.
Situatie: Een bezoek aan school.
Le professeur parle ______ (de + les) élèves et ______ (de + le) programme.
Bijzinnen worden ingeleid door voegwoorden: que (dat), quand (wanneer), parce que (omdat), si (als), qui (die/dat - onderwerp), que (die/dat - lijdend voorwerp), où (waar). Let op: na si (als) gebruik je nooit futur.
Oefeningen
Situatie: Een mening geven.
Kies het juiste voegwoord: Je crois ______ il a raison.
Situatie: Plannen maken.
Si nous ______ (avoir) le temps, nous visiterons le musée.
Situatie: Iemand beschrijven.
C'est le professeur ______ nous a appris le français et ______ tout le monde admire.
Situatie: Uitleggen waarom.
Kies het juiste voegwoord: Il ne peut pas venir ______ il est malade.