Boekhouden

Oefen met de basisprincipes van boekhouden: balans, resultatenrekening, journaalposten, grootboek en debiteuren/crediteuren.

Balans

Theorie: De balans toont bezittingen (activa) links en het vermogen + schulden (passiva) rechts. Activa = Passiva altijd.

Oefening: Stel de balans op

Een bedrijf heeft: gebouw €200.000, voorraad €30.000, kas €5.000, bank €15.000, eigen vermogen €180.000, hypotheek €50.000, crediteuren €20.000.

ActivaPassiva
Gebouw Eigen vermogen
Voorraad Hypotheek
Bank Crediteuren
Kas
Totaal activa0 Totaal passiva0

Resultatenrekening

Theorie: De resultatenrekening toont opbrengsten minus kosten over een periode. Opbrengsten − Kosten = Winst (of Verlies).

Oefening: Bereken het resultaat

Gegeven: omzet €120.000, inkoopwaarde €65.000, personeelskosten €25.000, huurkosten €12.000, afschrijvingen €8.000, overige kosten €3.000.

Journaalposten

Theorie: Elke transactie wordt vastgelegd met een debet- en creditboeking. Debet = toename activa/kosten, afname passiva/opbrengsten. Credit = omgekeerd.

Oefening: Boek de transactie

Score: 0/0

Grootboek

Theorie: Het grootboek verzamelt alle boekingen per rekening. Elke rekening heeft een debetzijde (links) en creditzijde (rechts). Het saldo is het verschil.

Oefening: Bepaal het saldo

Rekening Bank: beginsaldo €10.000 (debet). Boekingen: ontvangst debiteuren €5.000 (debet), betaling crediteuren €3.000 (credit), huur betaald €1.500 (credit), ontvangst contant €2.000 (debet).

Debiteuren & Crediteuren

Theorie: Debiteuren zijn klanten die nog moeten betalen (vordering, activa). Crediteuren zijn leveranciers aan wie je nog moet betalen (schuld, passiva).

Oefening: Classificeer de posten

Sleep elke omschrijving naar de juiste categorie.

Debiteuren

Crediteuren